Schilders in Wittebrugpark

Eeke Crabbendam

'Wat is schilderen anders dan een zich eeuwig herhalend met de hersenen zoeken naar een formule om het geziene in verf uit te drukken!'

G.H. Marius, 'Willem Maris', 1891

Rond 1900 was het een va-et vient van kunstschilders in Wittebrug en omgeving. Dit buurtschap, het van Stolkpark en het Belgisch Park waren in die tijd de ideale plekken voor kunstenaars om neer te strijken, dicht bij hun geliefde onderwerp Scheveningen, met de zee, de vissers en het strandleven, al of niet mondain.

In het Wittebrugpark gaat het om Anna Abrahams, Floris Arntzenius, Hendrik Haverman, Willem Maris en Willem Tholen. U vindt de namen terug in het horizontale menu dat in de bovenste regel van de pagina's verwijst naar deze schilders. Alvorens de links aan te klikken wordt aanbevolen eerst kennis te nemen van onderstaande schets van de omstandigheden waarin zij leefden en werkten in Den Haag en Scheveningen. De schilderstroming Haagse School maakt daar een belangrijk deel van uit.

Tijdsbeeld

Den Haag was in de tweede helft van de negentiende eeuw een populaire stad voor beeldende kunstenaars. In tegenstelling tot Amsterdam of Rotterdam, steden die als handels- en industriecentra een sterke groei doormaakten, was Den Haag, omgeven door weilanden, vaarten en molens, nog landelijk. En dus aantrekkelijk voor landschapschilders.

Willem Maris, ezels op het strand, olie op doek, gesigneerd, ca. 1866.

Jonge kunstenaars waren echter van mening dat er te weinig ontplooïings- en vormingsmogelijkheden waren in de stad. Daarom werd in 1847 het schilderkundig genootschap Pulchri Studio opgericht 'voor het tekenen naar model, het bevorderen van de belangen van de beeldende kunst en het houden van kunstbeschouwingen'.

Gesigneerde groepsfoto van de oprichters en enkele werkende leden van Pulchriin het Hofje van Nieuwkoop t.g.v. de 80ste verjaardag van Andreas Schelfhout, 1867.

Dit genootschap zou later de basis vormen voor een nieuwe stroming in de schilderkunst die in 1875 de naam 'Haagsche School' kreeg. Criticus J. van Santen Kolff (1819-1908) noemde in dat jaar deze naam voor het eerst in zijn artikel 'Een blik in de Hollandsche schilderkunst onzer dagen' in het tijdschrift De Banier. Aanvankelijk toonde hij zich sceptisch: 'Soms lijkt het een smeerschool, die met een schilderschool weinig gemeen heeft.' 'Staat men er vlak voor en legt men er de neus op, dan moet men raden naar de voorgestelde voorwerpen. Doch treedt men een pas of tien achteruit, dan gaat alles als door een toverslag leven.' Twee jaar later schreef hij in het zelfde tijdschrift: '( …) deze schilders zijn té oprecht en té waar om ooit verlaagd te worden tot mode-producten (. ..). Zij hebben waarheid en werkelijkheid gezocht. Daarom zullen zij bewaard worden tegen modewisseling.' Hij verwachtte een 'hoopvolle toekomst' voor hen en wilde te zijner tijd voor deze 'ultra-radikale beweging' nog een meer gepaste naam vinden dan 'Haagsche School'. Iets in de trant van 'realistiese school met de natuur als leidsvrouw'. Dat is er niet van gekomen. De naam 'Haagse School' is vervolgens een begrip geworden in de wereld van de schilderkunst.

Kunstcriticus Johan de Gram schreef in 1905 het volgende over de schildertrant van de Haagse School: 'licht en zon zoo weer te geven, ons de ruimte dier plassen, de heerlijkheid van zulk een mooie dag, de malschheid van 't weiland zoo te vertolken, is een zeldzaame gaaf'.

Willem Maris, Koeien in het riet, olie op doek, gesigneerd, ca. 1890.

Natuurlijk werd deze nieuwe stroming niet als vanzelf geaccepteerd door de oude garde, de 'Officieelen', zoals de kunstenaars van de vorige generatie genoemd werden. De tot de nieuwe stroming behorende kunstschilder Willem Maris, geciteerd in 1910 door criticus C. Harms Tiepen, zei het als volgt: ' Bij Heijser ( een Haagse café) kwamen de eerbiedwaardige ouden; (…). Dat waren de hoge oomes, zie je. Wij waren de revolutionairen. Een tegenwerking dat we hebben gehad. In 't Kurhaus heeft tijdens onze eerste tentoonstelling een pamflet gelegen tegen ons. We werden uitgescholden voor 'modderschilders'. De oude Vogel (behorend tot de 'Officieelen') toornde in een Pulchri-vergadering: 'ze moeten uitgeroeid worden!'

Een bolwerk binnen de 'Officieelen' was de Commissie der Koninklijke onderscheidingen en subsidies, die besliste over de toekenning van medailles en subsidies. Deze Commissie placht de schilders van de Haagse School, die zij spottend de 'Grijzen' noemden naar de veel gebruikte kleur grijs, op ongepaste wijze te passeren. De jonge generatie schilders kwam daartegen in opstand en besloot tot het opstellen van een 'request' aan de koning, waarin zij verklaarde geen prijs meer te stellen op onderscheidingen, medailles of subsidies van het koninklijk huis. Deze schilders gingen zelfs zo ver, dat zij wél meewerkten aan een tentoonstelling in Arti te Amsterdam, waar ook koning Willem III op bezoek kwam, maar onder protest: achter hun namen stond B.M., Buiten Mededinging. Dit optreden heeft in de toenmalige kunstwereld veel opschudding veroorzaakt. Het Haagsche Dagblad bestempelde de revolutionaire schilders vervolgens als: 'dwazen, die blijkbaar de kluts kwijt waren'.

W. van Konijnenburg, affiche van de 41ste tentoonstelling van de Hollandsche Teeken-Maatschappij, Pulchri Studio, 1918.

Maar de 'Grijzen' bleven bij hun standpunt. Uit protest richtten zij in 1876 onder aanvoering van de inmiddels bekende schilders Willem Maris, Jozef Israels, J. Blommers en H.J. Mesdag een eigen vereniging op, de Hollandsche Teeken-Maatschappij. Deze had als doel de erkenning en bevordering van de aquarel ( toentertijd 'tekening' genaamd) als nieuwe kunst. De aquarel werd in die tijd nog niet aan de muur gehangen maar in de hand bekeken en was dus nog ondergewaardeerd.

De 'Maatschappij' wilde het aquarelleerwerk van de leden via tentoonstellingen verdere bekendheid geven. Deze zeer prestigieuze vereniging kreeg internationale bekendheid en is voor de bloei van de Haagse School van grote betekenis geweest.

Kortom, in de jaren zeventig moest een kunstenaar dus in Den Haag zijn, dáár gebeurde het. Veel jongeren trokken dan ook naar deze stad en gingen in de leer bij schilders, die inmiddels een reputatie hadden verworven.

In de jaren tachtig raakte Amsterdam in zwang, de 'Tachtigers' vormden zich daar. De schilders George Breitner en Isaac Israels, aangetrokken tot deze beweging, verlieten Den Haag voor Amsterdam en kregen daar met hun meer expressionistische stijl bekendheid. Sommige Haagse schilders, zoals H.J. Haverman en W.B. Tholen, maakten wel deel uit van de 'Tachtigers', maar bleven in de Hofstad wonen.

Nieuwbouw en industrialisatie waren geen thema's voor de Haagse Schoolschilders, die een voorliefde hadden voor de ongerepte natuur. Zij boden daarmee het publiek, dat de toenemende lelijkheid van de nieuwe tijd wilde ontvluchten, precies waar het naar verlangde: het landelijke en het aandoenlijke van het boerenleven of het vissersbestaan.

Maar toen de nieuwbouw en industrialisatie ook begonnen door te dringen tot Den Haag en het 'oude leven' dus voorbij was, kozen veel schilders voor een andere werkplek, en soms ook een andere woonplaats. Van Gogh bijvoorbeeld was aanvankelijk zeer enthousiast over de schilderachtige omgeving van Scheveningen waar hij rond 1881 aan het werk was. Hij schrijft in 1882 aan broer Theo in zijn Brieven:

'Een grote vlakte in de duinen, 's morgens na de regen; het gras is betrekkelijk zeer groen en daarop de zwarte netten uitgespreid in enorme cirkels, waardoor tonen ontstaan op de grond van een diep roodachtig, zwart, groengrijs. Op die sombere grond zaten of stonden of liepen als zonderlinge donkere schimmen, vrouwen met witte mutsen, en mannen, die de netten uitspreidden of repareerden. Het was in de natuur zo aangrijpend eigenaardig somber en streng, als het mooiste wat men van Millet, Israels of de Groux zich denken kan. Boven het landschap een eenvoudige grijze lucht met lichte streep boven de horizon. (…) het zijn zulke dingen, die mij in de natuur 't meest aangrijpen.'

Maar eind 1883 ziet en voelt hij de verandering van de omgeving en besluit hij te verhuizen. Dan schrijft hij aan Theo:

'(…) ge zult het met me eens zijn dat de duinen in (…) Scheveningen in laatste tien jaren reeds veel verloren hebben van het echte en iets anders, een meer frivool karakter krijgen (…). (…) vierge is de natuur er lang niet meer.'

V. van Gogh, strand bij Scheveningen bij stormachtig weer, 1882.

Mesdag, dezelfde mening toegedaan, zegt in een interview in 1906 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant: 'Al die nieuwigheden, waar dient het voor? (…) Wat ik daar gemaakt heb- zo'n jaar of wat geleden, dat krijg je nooit meer te zien! Da's uit, met Scheveningen is 't gedaan.'

Promotie en handel

Het tweede kwart van de negentiende eeuw was een gunstige tijd voor kunstenaars in Nederland. Het was een periode van opkomst en welvaart in de wereld, waar de kunsthandel van profiteerde. In Amerika, Canada, Engeland en Schotland bijvoorbeeld, was onder rijke industriemagnaten veel belangstelling voor moderne kunst.

Plaquette bij Plaats 20.

Goupil & Cie was één van die kunsthandels, die daar goed op inspeelde. Vincent van Gogh, Haags kunsthandelaar en oom van de schilder, had zich rond 1860 met deze Parijse kunsthandel geassocieerd en vestigde zich in 1861 op Plaats 14. In 1880 verhuisde hij naar Plaats 20. Hij werd daarmee onderdeel van een van de grootste handelshuizen in Europa. Neef Vincent was bij hem in dienst als leerling van 1869-1973.

Goupil verkocht wereldwijd en had een belangrijke rol bij de promotie van de Haagse Schoolschilders. In de catalogus van de tentoonstelling 'Willem Maris, impressionist van De Haagse School' d.d. 2012 schrijft Joost Bergman dat 'onder regie van Goupil de Haagse School zich ontwikkelde tot een geoliede commerciële machine'. Men zegt wel dat de Haagse School aan het eind van de negentiende eeuw meer bekendheid genoot in het buitenland dan in Nederland.

De belangrijke rol van de kunsthandel bij de promotie van de Haagse School had ook een andere kant van de medaille: kunstenaars moesten voor de 'markt' schilderen, wat te weeg bracht dat zij regelmatig 'marktwaar' schilderden, waar niet iedereen gelukkig mee was, want men was bang voor 'serieproductie'. 'Is het wonder, dat schilderijen gaan tegenstaan of vermoeien, die den schilder zelf niet zoo innig van harte gingen?', aldus een recensent over Willem Maris' werk na zijn overlijden in 1910.

Tentoonstellingszaal Pulchri Studio op voormalige lokatie Prinsegracht 57. Rechts de kunstenaar Johannes Huijgens, 1890.

Ook de kunstcritici hadden zoals altijd een belangrijke functie bij het promoten van kunstenaars. Maar natuurlijk ook bij het bekritiseren van hen. Behalve de beroemde Van Santen Kolff was Albert Plasschaert (1874-1941) een van de belangrijkste en meest gevreesde critici van Nederland. Met menig schilder had hij meningsverschillen, waaronder Floris Arntzenius. Dat deze niet de enige was die onder hem te lijden had, blijkt uit een bericht uit de krant De Tijd d.d. 2 december 1924, waarin de directie van Pulchri Studio mededeelt dat 'Albert Plasschaert voortaan toegang tot het Genootschappelijk gebouw wordt ontzegd wegens zijn onwaardig optreden als criticus'.

P.F.N.J. Arntzenius, tentoonstelling in Pulchri, olie op doek, z.d.

En dan waren er de verschillende kunstenaarsverenigingen, zoals Pulchri Studio, de Hollandsche Teeken-Maatschappij en de Haagse Kunstkring (opgericht in 1891), die als doel hadden de kunst te promoten. Zij organiseerden veel tentoonstellingen in het buitenland, die overigens 'gevoel van eenheid en onderlinge samenhang' onder de schilders gaven.

Door al deze promotie-activiteiten genoten de Haagse Schoolschilders veel populariteit al tijdens hun leven. Daarbij waren kunstenaars in die tijd nog niet zo talrijk als tegenwoordig, waardoor er voor iedereen een mogelijkheid was tot bestaan. Daardoor konden zij leven van de opbrengst van hun werk en leden geen armoede. Maar, er moest hard voor gewerkt worden. Er moest kunst gemaakt worden om brood te verdienen. Een kunstenaar kon nog niet alleen voor zijn kunst leven, er waren nauwelijks subsidies, behalve die van het koninklijk huis voor jonge kunstenaars. M.H.W.E. Maris beschrijft dat het bestaan van zijn grootvader Willem Maris en diens twee broers Matthijs en Jacob 'een heel gewoon menschenbestaan is geweest; elken dag het zelfde: arbeid, arbeid en nog eens arbeid'.

Onderlinge contacten

De kunstschilders in die tijd waren zeer bevriend met elkaar en zochten elkaar veelvuldig op om te praten over hun werk, of thuis of bij een van de kunstenaarsverenigingen of in Café Riche in de Passage.

P.F.N.J. Arntzenius, Café Riche, olie op paneel, gesigneerd, 1900.

De kunstenaarsverenigingen hadden niet alleen als doel de kunst te promoten maar hadden ook een belangrijke functie als sociëteit. Zij zijn van enorme betekenis geweest voor het onderlinge contact. 'Een bezoek aan de sociëteiten was als een bezoek aan vrienden.' Men zegt wel dat de meeste Haagse Schoolschilders bekend stonden als 'rondborstige, hartelijke kerels met wie het in de sociëteit goed borrelen was'.

Juist omdat het aantal kunstenaars nog niet zo groot was, was er ruimte voor iedereen en was broodnijd niet aan de orde, men gunde elkaar zijn roem. 'Er was tussen die schilders zo'n eerlijke, zuivere spheer zonder naijver of achterdocht', aldus schilder Van Mastenbroek in 1946, terugkijkend op zijn leven.

Tjieke Roelofs, vrouw van schilder Albert Roelofs, in haar 'Herinneringen' ( 1951): 'Er was een onderlinge waardering, bewondering van de jongeren voor de grootmeesters en van hun kant groote welwillendheid tegenover de jongeren.'

Pulchri Studio, aanvankelijk gesitueerd op de Prinsegracht, was de meest toonaangevende kunstenaarsvereniging en had een snel groeiend aantal leden, waardoor steeds meer behoefte bestond aan uitbreiding van tentoonstellingsruimte. Die kwam er door toedoen van schilder H.W. Mesdag, in zijn jonge jaren bankier. Deze doortastende voorzitter van Pulchri Studio ( 1889-1906) heeft werkelijk een voortrekkersrol gespeeld, omdat hij een van de weinigen artistieke broeders was met een zakeninstinct.

Feest in Pulchri Studio, 1900.

Na meerdere verhuizingen kocht hij 1901 voor de vereniging het pand op Lange Voorhout 15. Omdat de financiën niet toereikend waren om dit pand te bekostigen, verkochten de ledenschilders zonder probleem hun werk om bij te dragen in de kosten. ' 't Was werkelijk één groote familie, iedereen kende elkaar.'

'Saamhorigheid kon zich ook uiten in de vroolijke en prachtige schildersfeesten. Waaraan door allemaal met de grootste jolijt werd samengewerkt' , aldus Tjieke Roelofs in haar 'Herinneringen'.

Uit alles blijkt dus dat er een goede onderlinge sfeer heeft bestaan onder de Haagse Schoolschilders. Dat men in één stad woonde en achter één kunstuiting stond, heeft daar zeker toe bijgedragen.

Ondanks het feit dat Tholen, Abrahams, Haverman, Maris en Arntzenius rond 1900 woonden in dit buurtschap, kan men niet spreken van een echte schilderskolonie in Wittebrug of Scheveningen. Maar men had wel liefde voor het zelfde onderwerp, Scheveningen. Onderwerpen liepen echter ook uiteen, het bleef niet bij Scheveningen alleen. Portretkunst, het stadsleven, bloemstillevens, andere landschappen kwamen ook aan de orde.

Na 1900 veranderden de tijden, ook in Scheveningen. Het zorgeloze 'fin de siècle' was voorbij, de eerste wereldoorlog was in aantocht. Maar ondanks dat, zou het dorp toch een geliefde plaats voor kunstenaars blijven.

Literatuuroverzicht

  • Bergman, J., Willem Maris, Impressionist van de Haagse School, Den Haag 2012
  • Boer, H. de, 'Anna Abrahams', in Elseviers Geïllustreerd Maandblad, jaargang 30, deel 59, 1920
  • Boer, H. de, cat. veiling Atelier Floris Arntzenius, Koninklijke Kunstzaal Kleijkamp, Den Haag 1925
  • Boer, H. de, Willem Maris, Den Haag 1905
  • Boer, H. de, 'H.J.Haverman', in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 28, 1918
  • Cat. keuze-tent. P.Fl. N.J. Arntzenius 1 december1940-17 januari 1941, bij E.J. van Wisselingh, Amsterdam, 1940
  • Clercq, S. de, Jonkman, M., Heijningen, L. van, Schilderkunst van Haagse School tot heden, Scheveningen 2000
  • Dekker, E., 'De rustige, grijze wereld van Floris Arntzenius', in Atelier, Magazine voor tekenaars en schilders 60 (1996)
  • Doorn, M. van, Ach lieve tijd, 750 jaar Den Haag en de Hagenaars, Zwolle, 1985
  • Eisler, M., 'Willem Maris 1844-1910', in Elsevier Geïllustreerd Maandblad Jaargang 21, Deel 41, 1911
  • Gram, J., Onze schilders in Pulchri Studio, Den Haag 1880
  • Groeneveld, J.H., 'Anna Abrahams 1849-1930, een vergeten schilderes', in Antiek, 6e jaargang, no. 4, 1971
  • Gruyter, W. J. de, 'Verster, Anna Abrahams, Apol e.a. bij Nieuwenhuizen Segaar' in Het Vaderland d.d. 7 november 1942
  • Haan de, M., van der Heijden, M., Nazarian, A., Dwars door de stad, Springer, C., G.H. Breitner, F. Artnzenius en het negentiende –eeuwse stadsgezicht, 2007, Harderwijk
  • Haaxman jr., P.A. 'Floris Arntzenius', in Elsevier's geïllustreerd maandschrift 13, 1903
  • Harms Tiepen, C., Willem Maris' Herinneringen, 1910
  • Hermans, N., 'Floris Arntzenius. De Breitner van Den Haag', in Lekker eten en drinken. Culinair magazine voor fijnproevers 11, 1992
  • Klarenbeek, H., 'Anna Adelaïde Abrahams' in Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland
  • Leeuw, R. de, Sillevis, J., Dumas, Ch., De Haagse School, Hollandse meesters van de 19e eeuw, Den Haag 1983
  • Liefde-van Brakel, T. de, B. Blommers ( 1845-1914), Katwijk 1993
  • Liefde-van Brakel, T. de, Schilderen en wonen op Scheveningen in de Belle Epoque, Den Haag 2008
  • Luns, H., Anna Abrahams en J. van Eysinga, bij Mak Amsterdam in Maandblad voor beeldende kunst, 4e jaargang, 1927
  • Maris, M.H.W.E., De geschiedenis van een schildersgeslacht, Gouda 1942
  • Marius G.H., 'Willem Maris', in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 1, dl 2., 1891
  • Mastenbroek, J.H. van, J.H. van Mastenbroek vertelt zijn herinneringen ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag, Rotterdam, 1946
  • Roelofs-Bleckmann, E.F., e.a., Albert Roelofs, Herinneringen, Den Haag 1951
  • Santen Kolff, J. van, 'Een blik in de Hollandsche schilderschool onzer dagen', in De Banier 1, nieuwe uitgaven, tijdschrift van 'Het jonge Holland', Den Haag 1875
  • Santen Kolff, J. van, 'Over de nieuwe richting in onze schilderkunst, naar aanleiding der jongste tentoonstelling te Amsterdam', in De Banier 3, deel 1, 1877
  • Schilp, C.A., 'Floris Arntzenius ( 1864-1925)', in Kunst en Antiek Revue, November 1979
  • Teirlinck, H., Roelofs-Bleckmann, E.F., Verspyck-van der Elst, J., Albert Roelofs, herinneringen, Den Haag 1951
  • Verdenius, M., 'Bij bekende mensen thuis', in Thuis, tijdschrift gewijd aan de inrichting der woning', H. Pander & zonen N.V. Den Haag 1951
  • Vlieger-Moll, W. de, Isaac Israels in Den Haag, Bussum 2012
  • Waal. R. v.d., Ewijckshoeve, tuin van Tachtig, Amsterdam 1988
  • Wagner, A., 'Enkele negentiende-eeuwse schilders in en om het Van Stolkpark', in Jaarboek Die Haghe 1982
  • Wagner, A., 'Floris Arntzenius 1864-1925', in Antiek, jrg. 3, no. 5, 1968
  • Wagner, A., Floris Arntzenius, Het Haagse leven van gisteren, cat. tent. Haags Gemeentemuseum 1969
  • Welling, D. Floris Arntzenius, Den Haag 1992

Illustraties

bovenstaand literatuuroverzicht

catalogi op het web

eigen opnamen